China brengt internationale kopstukken bijeen voor overleg over wereldbestuur, terwijl de inhoud van 22 rondetafelgesprekken grotendeels buiten beeld blijft. Dat is de inzet van een uitgesproken kritisch opiniestuk over een door China gefinancierde bijeenkomst, in de bron aangeduid als het Global Governance Forum 2026 en geplaatst aan het einde van oktober, vlak voor de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen. Volgens het artikel was dit het eerste dergelijke forum dat China organiseerde, kregen vooral door de Chinese Communistische Partij toegelaten media toegang en beperkten hun verslagen zich hoofdzakelijk tot de openings- en slotceremonies. Van de ongeveer 180 buitenlandse gasten zou de volledige deelnemerslijst niet openbaar zijn. Enkele namen worden wel genoemd: WEF-oprichter Klaus Schwab, de Duitse oud-bondskanselier Gerhard Schröder, New York Times-columnist Thomas Friedman en VN-ondersecretaris-generaal Guy Ryder. Ook John Thornton van de Asia Society, politicoloog David Shambaugh, Schiller Institute-oprichter Helga Zepp-LaRouche, voormalig VN-milieubestuurder Erik Solheim en onderzoeker Andrea Renda zouden aanwezig zijn geweest. De auteur ziet in die samenkomst geen gewone diplomatieke ontmoeting, maar een hernieuwde toenadering tussen China en internationale bestuurlijke netwerken. Juist de beperkte openbaarheid geeft die politieke lezing in het artikel haar grimmige lading.

AI-illustratie

Die lezing bouwt voort op een veel bredere aanklacht tegen het World Economic Forum en verwante organisaties. Volgens de auteur traden zulke instellingen tijdens het presidentschap van Joe Biden en de coronapandemie nadrukkelijk naar voren met plannen voor economische en maatschappelijke hervorming. Hij verwijst naar Schwabs Great Reset en Vierde Industriële Revolutie, en naar de Council for Inclusive Capitalism, die Lynn Forester de Rothschild samen met het Vaticaan presenteerde. Waar deze initiatieven hervorming beoogden, ziet de schrijver vooral een streven naar vergaande zeggenschap over ondernemingen, economie en persoonlijke vrijheden. Ook lockdowns, vaccinatieverplichtingen en vaccinatiebewijzen plaatst hij binnen datzelfde politieke verhaal. Vervolgens zouden die internationale netwerken zich, vooral in de aanloop naar de Amerikaanse verkiezingen van 2024, veel minder nadrukkelijk hebben laten horen. Als mogelijke verklaring noemt hij binnenlands verzet: volgens de door hem aangehaalde Amerikaanse deelstaatgegevens bleef ongeveer een kwart van de bevolking ongevaccineerd, weigerde circa de helft een booster en blokkeerde ongeveer de helft van de staten verplichtingen. Of dat verzet daadwerkelijk de omslag veroorzaakte, laat hij uitdrukkelijk open. Zijn stelling is dat de ambities niet verdwenen, maar tijdelijk minder zichtbaar werden. Het Chinese forum beschouwt hij als een teken dat die netwerken opnieuw nadrukkelijk optreden.

Achter die bestuurlijke discussie ligt volgens het stuk een harde strijd om economische invloed. De gemelde gespreksonderwerpen omvatten samenwerking in Azië, kunstmatige intelligentie, bestuur van de ruimte, hervorming van de Verenigde Naties en de aankondiging van een Global Governance Research Center. De auteur verbindt dat aan de invoerheffingen van de regering-Trump: die zouden internationale economische integratie verstoren en de zoektocht naar nauwere samenwerking buiten de Verenigde Staten versnellen. Hij vermoedt dat Europese en Chinese partijen een sterkere onderlinge coalitie willen vormen om Amerikaanse conservatieve bewegingen tegenwicht te bieden. Daarbij wijst hij op uitspraken van Europese functionarissen en Canadese leiders over China als belangrijkere economische partner. Maar juist daar wordt zijn betoog scherp: een alternatief partnerschap is nog geen vervanging voor de Amerikaanse afzetmarkt. Volgens het artikel vertegenwoordigen de Verenigde Staten ongeveer 30 procent van de mondiale consumentenmarkt. China is in zijn analyse vooral een productie-economie, met onvoldoende binnenlandse koopkracht om die Amerikaanse vraag over te nemen. Ter onderbouwing noemt hij gemiddelde jaarlonen van ongeveer 10.000 dollar buiten overheidsbanen en circa 16.000 dollar bij de overheid. Zijn waarschuwing is dat politieke afstand tot Washington economisch duur kan uitpakken. De gedachte dat China eenvoudig dezelfde vraag naar buitenlandse productie kan leveren, wijst hij resoluut af; de veronderstelde politieke opzet achter die toenadering blijft zijn interpretatie.

De slotverklaring, getiteld ‘Global Governance: Xiongan Vision’, maakt duidelijk welke bestuurlijke richting het forum uitdraagt. De wereld zou een nieuwe periode van onrust ingaan, waarin multilaterale samenwerking nodig is om tekortkomingen in internationaal bestuur aan te pakken. De verklaring bepleit behoud en versterking van de centrale VN-rol, meer deelname van het mondiale Zuiden aan regels, agenda’s en besluitvorming, en voortzetting van de VN-Agenda 2030, met voorbereiding op de periode daarna. Voor de auteur staat daar veel meer op het spel dan institutionele hervorming. Hij leest multilateralisme als een beweging naar wereldbestuur en verwerpt het beeld van China als tegenstander van internationale integratie. Daarbij verwijst hij naar de opname van de Chinese munt in de bijzondere trekkingsrechten, de SDR-valutamand van het IMF, vanaf 2016, en naar Chinese pleidooien voor een grotere internationale monetaire rol van het fonds. Vervolgens verbindt hij ontwikkelingsfinanciering, klimaatherverdeling en herstelbetalingen aan zijn vrees voor gecentraliseerde economische macht. Ook migratie en multiculturalisme plaatst hij binnen dat uitgesproken ideologische perspectief. Zijn uiteindelijke waarschuwing richt zich op conservatieve en patriottische bewegingen, die volgens hem richting 2030 politiek geïsoleerd zouden kunnen worden. Daarmee eindigt het stuk niet bij handelsbeleid of VN-hervorming, maar bij de vrees voor een ingrijpende verschuiving van politieke macht. Wat tijdens de besloten gesprekken precies is afgesproken, blijft ook volgens de auteur onbekend.