Russische raffinaderijen liggen onder vuur, terwijl Trump juist Russische diesel naar de wereldmarkt wil halen. Die scherpe tegenstelling vormt het hart van een kritisch opiniestuk van een voormalig CIA-medewerker, die zich baseert op een op 23 oktober gepubliceerd profiel van CIA-directeur John Ratcliffe in The Atlantic. Zijn aanklacht: Washington praat over vrede, maar ondersteunt tegelijkertijd Oekraïense aanvallen diep in Rusland. Daarbij is onderscheid cruciaal. Amerikaanse inlichtingensteun is niet hetzelfde als bewezen Amerikaanse aansturing van iedere aanval, en de conclusie dat de Verenigde Staten zelf oorlog voeren is de interpretatie van de auteur, geen onafhankelijk vastgestelde uitkomst van het aangehaalde artikel.

De beschreven Amerikaanse betrokkenheid is niettemin aanzienlijk. Volgens de aangehaalde berichtgeving levert de CIA informatie waarmee Oekraïne doelen in Rusland aanvalt, terwijl Amerikaanse satellieten waarschuwen voor naderende Russische raketten en drones. Een anonieme voormalige hoge officier noemt de CIA leidend onder het Amerikaanse personeel in Oekraïne. Een Baltische inlichtingenfunctionaris stelt bovendien dat de operaties tegen Rusland onder Trump agressiever zijn geworden dan onder Biden. Sinds de Russische inname van de Krim in 2014 hielp de dienst het Oekraïense inlichtingenapparaat opbouwen. Daarmee rijst een diplomatiek dilemma: dezelfde organisatie die Kyiv ondersteunt, moet ook met Moskou praten over beëindiging van de oorlog.
Bij diesel wordt die spanning economisch explosief. Volgens de in het stuk aangehaalde cijfers van het Internationaal Energieagentschap werd in de eerste acht maanden van het bedoelde jaar gemiddeld eens per drie dagen een Russische raffinaderij geraakt. Het agentschap verwacht dat het mondiale dieseltekort tot ver in 2027 aanhoudt. Volgens The Atlantic schrijft Trump de prijsstijging mede toe aan die aanvallen en heeft hij gedreigd inlichtingensteun in te trekken als Kyiv ermee doorgaat. Op 9 oktober kondigde hij tijdens vredesbesprekingen in Miami een afspraak aan over Russische dieselverkopen op de wereldmarkt. Die aankondiging verraste volgens de berichtgeving onderhandelaars; een wederzijdse toezegging van Poetin bleef uit. Zo botsen druk op Russische energievoorzieningen en verlichting van brandstofprijzen binnen hetzelfde Amerikaanse beleid.
Ook Ratcliffes bezoek aan Moskou in augustus krijgt in het opiniestuk een harde beoordeling. Via het informele kanaal tussen inlichtingendiensten moest hij volgens The Atlantic overbrengen dat geen van beide partijen kon winnen: Rusland boekte onvoldoende betekenisvolle terreinwinst, Oekraïne kon de Russische troepen niet verdrijven. De auteur betwist vooral de eerste helft. Hij zet een Russische claim van ongeveer 6.500 veroverde vierkante kilometer sinds januari tegenover circa 1.300 vierkante kilometer volgens het Oekraïense kaartenproject DeepState. Die uiteenlopende cijfers maken grote voorzichtigheid noodzakelijk, maar onderstrepen ook hoe omstreden de militaire uitgangspunten voor onderhandelingen zijn.
Onder deze beleidsbotsing ligt een institutionele waarschuwing: kan een geheime dienst zijn eigen operaties nog onbevangen beoordelen? De auteur vreest dat operationele belangen sombere analyses verdringen. Voormalig senior analist Julia Curlee beschuldigt Ratcliffe van politisering; andere aangehaalde medewerkers melden onvrede en vertrek onder analisten. Dat bewijst niet dat beoordelingen over Oekraïne zijn vervalst. Het legt wel een kwetsbare plek bloot: Washington laat oorlogssteun, diplomatie en energiebelangen samenkomen bij een dienst waarvan betrokkenen juist de onafhankelijkheid ter discussie stellen.

