Het hebben van één gezamenlijke munt biedt veel economische voordelen (o.a. goed voor de internationale handel) maar is onmogelijk in een gebied met heterogene economieën. De Griekse economie is bijv. veel minder concurrerend dan de Duitse economie waardoor het land drie keer zoveel importeert (waardoor geld uit het land wegstroomt) dan exporteert (vice versa). Hierdoor stroomt er voortdurend geld van de ‘zwakke’ economieën naar de sterke economieën. Wanneer consumenten, in landen met minder mogelijkheden voor productiviteit, de voorkeur geven aan goedkopere en betere importproducten dan zal de buitenlandse schuld stijgen. Tegelijkertijd verslechtert de eigen productiviteit van het land.