In het politieke tumult in Turkije spelen ook economische zorgen een belangrijke rol. Anders dan menige westerse waarnemer goedgelovig denkt, is Erdogan niet de premier van een economisch wonder, maar eerder de architect van de gebruikelijke derdewereld-kredietzeepbel, waardoor de Turkse consumenten nu de broekriem moeten aanhalen, zuchtend onder een verpletterende schuldenlast.
De zeepbel van Erdogan doet denken aan Argentinië in 2000 en Mexico in 1994. Daar leidde een sterk stijgende buitenlandse schuld tot kortstondige zeepbellen van welvaart, gevolgd door devaluatie van de munt en diepe depressies. In beide landen kocht de regering de gunst van het volk met goedkoop consumentenkrediet. Erdogan deed hetzelfde in de maanden voorafgaand aan de verkiezingen van juni 2011. Zijn politiek gemotiveerde gulheid keert zich nu tegen de Turkse consumenten. De consumentenuitgaven zijn in absolute cijfers gedaald. De groei van het bbp is praktisch nul, mede door een groei van 20 procent van de overheidsuitgaven. Nu die overheidsuitgaven de voornaamste economische activiteit vormen, is het geen wonder dat de inflatie 7 procent bedraagt.

