President Kennedy werd in januari 1961 beëdigd. Het hele jaar door circuleerden er rapporten van regering en banken waarbij een beleid geformuleerd werd dat toekomstige prijsverhogingen zou voorkomen. De US had duidelijk kenbaar gemaakt dat het zijn goud reserves niet verder in gevaar wilde brengen.

De nieuw benoemde Under-Secretary van de US Treasury, Robert Roosa en officials van de Federal Reserve stelden voor dat de U.S., de Bank of England en de centrale banken van West-Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Italië, België, Nederland en Luxemburg een verkoop consortium op zouden zetten met als doel de markt te verhinderen de goudprijs boven de US $ 35,20 per ounce te laten stijgen.

Onder deze "London Gold Pool" overeenkomst moesten alle deelnemende lidbanken een bepaalde hoeveelheid goud in een centrale pool inbrengen, waarbij de Federal Reserve de totale inbreng van alle andere lidbanken zou matchen op een één op één basis. In tijden van stijgende prijzen kon de agent, de Bank of England, over het goud uit deze pool beschikken om te verkopen om verdere stijging van goudprijs te verhinderen en de prijzen weer terug te brengen naar het gewenste niveau. In de herfst van 1961 begon de goudprijs weer naar boven te kruipen. In November, met dit accoord in volle werking, werden de prijzen weer gestabiliseerd in de $35 - $35,20 range.

Zo tegen februari 1962 kocht de gold pool goud aan als de prijs zakte en verkocht weer als de prijs steeg. Dit patroon kon gedurende een paar jaar worden vastgehouden, waarbij de goudprijs zich enigszins stabiliseerde, ondanks de buitengewone vraag gedurende de Cuba crisis en als gevolg van de toenemende spanningen tussen Washington en Moskou.

Gevaar op alle fronten

Tegen 1965 voorzag de gold pool de markt eigenlijk voortdurend van meer goud dan dat het terugkocht. Het begin van het eind voor de London Gold Pool was dan ook de devaluatie van het Pound Sterling in november 1967, die een nieuwe run op goud inluidde. In december dat jaar, verkocht London ongeveer 20 keer haar normale hoeveelheid in de markt. Onder druk geraakt door de pool, staakten zowel London als Zurich hun goudverkopen. In een paar weken tijd had de pool meer dan 1000 ton in de markt gepompt en dat vertegenwoordigde in die dagen het niet onaanzienlijke bedrag van $1,1 miljard.

Ondertussen trok Frankrijk onder leiding van Charles de Gaulle op aandringen van zijn economisch adviseur Jacques Rueff, zich ook terug uit de pool en bevestigden nog eens hun positie om dollars, verdiend door de export naar de US, terug te sturen naar de US en deze in te wisselen tegen goud in plaats van US Treasury schuldpapier. Op dat moment werd de aanslag op het US goud ineens acuut. Escalatie in de Viëtnam Oorlog begin 1968 gaf nog eens extra nieuwe druk op de dollar, waarbij de US nu enorme betalingstekorten met de rest van de wereld opliep. Zoals altijd in de geschiedenis, tijdens een crisis staat het goud weer in het middelpunt van de belangstelling en de vraag ernaar rees de pan uit.

Wereld Goud Crisis

Op vrijdag 8 maart 1968 verkocht London 100 ton goud in de markt, terwijl er op een normale handelsdag gemiddeld zo’n 5 ton verhandeld werd. Op zondagavond daarna kwam de gold pool met een verklaring naar buiten : "De London Gold Pool bevestigt hiermee nog eens haar vastbeslotenheid om goud op de gefixeerde waarde van $35 per ounce te houden". Fed chairman William McChesney-Martin bracht naar ermee buiten dat de US deze $35 per ounce goud prijs zou verdedigen "tot de laatste baar". Die week was de London Gold Pool in constant gevecht met het vrije markt proces en verdedigde de $35,20 goudprijs. Tegen het midden van de week waren er enige vliegtuigladingen goud vanuit de US naar London gestuurd om aan de vraag tegemoet te kunnen komen. Op die woensdag verkocht London 175 ton op de markt, 30 keer zoveel omzet als op een normale handelsdag en op donderdag nam de vraag zelfs toe tot 225 ton.

Die avond werd er een noodtoestand vergadering gehouden op Buckingham Palace, met als resultaat dat de koningin op vrijdag 15 maart een ‘bank holiday’ proclameerde. Roy Jenkins, schatkistbewaarder, kondigde aan dat deze beslissing om de goudmarkt te sluiten, genomen was ‘op verzoek van de Verenigde Staten’.

Tweedeling van de goudmarkt
De Londonse goudmarkt bleef twee weken lang gesloten, in welke tijd de London Gold Pool officieel werd opgeheven. Tijdens die twee weken bleven de markten van Zurich en Frankrijk wel geopend, waarbij marktprijzen van meer dan $44 per ounce genoteerd werden (25% hoger dan de officiële London prijs van $35,20 per ounce).

En weer een 14-tal dagen later werd de wereld met een tweedeling in de prijs geconfronteerd, waarbij de officiële prijs van $35.20 zou worden gehandhaafd voor afwikkeling tussen de verschillende centrale banken, terwijl de vrije markt zijn eigen prijs kon gaan opzoeken. De Londonse markt ging weer open op 1 april.

Lessen uit de London Gold Pool
Uit het noodlot van de London Gold Pool kunnen we een aantal duidelijke lessen leren.

  1. Manipulatie van markten door regeringen, geholpen door centrale banken en machtige financiële instituten bestaat. En wel in het bijzonder wanneer de valuta’s van de naties en zeker ‘s werelds reservevaluta grote risico’s lopen. Zoals al aangegeven in dit kader, in de loop der tijden raakten regeringen uiteindelijk diep betrokken in het vrije markt proces om hun eigen belangen te verdedigen. Het is dan ook niet onredelijk om aan te nemen dat, als regeringen zo diep betrokken raakten bij de onderdrukking van de goudprijs zoals in de zestiger jaren, dat ze dit vandaag de dag niet opnieuw zouden doen.
  2. De geschiedenis heeft ook, zonder uitzondering, bewezen dat manipulatie van de vrije markt uiteindelijk zal falen; geen enkele mate van controle door regeringen, reguleringen of prijsmanipulatie kan de werking van de vrije markt op lange duur tegenhouden, waarbij de London Gold Pool echt geen uitzondering was. Er kon niet genoeg goud aangesleept worden door de gold pool om aan de vraag te voldoen, toen eenmaal de investeerders en masse besloten de markt te bestormen.
  3. Zij die achter de uitvoering van deze markt interventies stonden, leden uiteindelijk grote verliezen toen zij hun pogingen moesten opgeven. Tegen de tijd dat de London Gold Pool officieel werd opgeheven in begin 1968, had het de lidstaten vele miljarden dollars gekost en dat was een hoop geld in die tijd. De Bank of England heeft haar vroegere positie en prestige nooit meer kunnen herwinnen na de ineenstorting van de London Gold Pool. Zoals een Londonse bulliondealer het ooit eens zei : "De Bank of England is niet langer heer en meester, zij zijn slechts een doorgeefluik of magazijn waar het goud wordt opgeslagen voordat het op de markt komt".
  4. Markten die kunstmatig zijn onderdrukt, hebben de neiging te katapulteren wanneer deze onderdrukking eindigt. In de 12 jaar van 1968 tot de top van de bullmarket, ging de prijs van goud met 2300% omhoog. Er wordt wel eens gezegd "hoeveel meer onderdrukking en hoe langer de manipulatie geduurd heeft, des te hoger zal de eventuele prijs zijn". Vandaag (en denk erom dit werd geschreven in 2001) zijn er veel grotere hoeveelheden goud betrokken bij dit prijs onderdrukking proces (10.000 – 15.000 ton tegen 3.000 ton in de goud pool tijd). Genomen over een langere tijdsperiode en met nog veel meer belangen die op het spel staan, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat uiteindelijk de goudprijs wel eens veel meer kan stijgen dan die 2300% uit de 60er en 70er jaren. Gerekend met de prijzen van vandaag (2001), zal een vergelijkbare beweging van 2300% een prijs die je versteld doet staan, van $6.400 per ounce opleveren...

Bron: P.Judge