Luid gejuich ging op en het nieuws van de afgesloten weddenschap ging de wereld rond. En op een dag om 12 uur, toen de kanonnen bulderden begon de grote wedstrijd. Allerlei boten, van skiffs tot vrachtschepen van ettelijke duizenden tonnen voeren een stuk met hen mee om hen uit te zwaaien, tot aan de ondergaande zon.
Zonder enige inspanning, maar nooit de wedstrijd uit het oog verliezend, voeren de Derivaat en Gouden Vleugel bij mooi en slecht weer de wereld rond. Af en toe kwamen er kleinere schepen naar de Derivaat om bemanning en passagiers te wisselen en brachten haar nieuwe brandstof en voorraden.
Slechts zelden kwam er iemand langszij de Gouden Vleugel, behalve dan voor wat nieuws, een hart onder riem of misschien om iets te verhandelen. Want zij waren gewend voor zichzelf te zorgen, onafhankelijk en arbeidzaam en lang geleden hadden zij al geleerd wat er nodig was voor zo’n lange en gevaarlijke reis.
De wedstrijd duurde veel te lang om ieder detail hier weer te geven. En over de ongelijke strijd tussen zware motoren en het zeil, zullen we ook maar zwijgen. Elk van de kapiteins probeerde de strategie van de ander te doorgronden, maar ook diens zwakheden, sterke punten en vakmanschap.
Terwijl de Gouden Vleugel het meeste moest zien te halen uit de wind en daar zeer bedreven in was, ging de Derivaat onvermoeibaar en meedogenloos verder, niet in het minst gestoord door wind en stroming. Lange tijd kon niemand een beslissende voorsprong nemen. En wie de winnaar zou worden bleef een onmogelijkheid om te voorspellen.
Tenslotte waren ze aangekomen bij het gevaarlijkste deel van de reis, niet het laatste maar wel moeilijkste deel sinds hun start. Voor hen lag de verraderlijke Hoorn die zij moesten ronden en vandaar kon de terugreis aanvaard worden.
Er werd opgemerkt en niet zonder reden tot bezorgdheid, dat er een onvoorspelde zware storm van achteren kwam opzetten. Op beide schepen vielen de barometers snel en spoedig zou zwaar weer hen treffen.
Toen de wind kwam opzetten liep de Gouden Vleugel haar achterstand snel in, voer de Derivaat makkelijk voorbij en liet haar ver achter zich. Voor het eerst werden sommigen aan boord van de Derivaat zeeziek, terwijl zij op de Gouden Vleugel er een adrenalinestoot van kregen.
Voor zowel de Derivaat als de Gouden Vleugel was deze storm niets in vergelijking met alles wat ze daarvoor hadden doorgemaakt. Daarom wist niemand ook eigenlijk wat deze nog in petto hield. En toen de wind alsmaar krachtiger werd in zijn donkere droefgeestigheid moest Gouden Vleugel’s bemanning de zeilen reven en daarin lag haar noodlot.
De eens zo behulpzame wind werd ineens een bedreiging en de stroming spotte met de Gouden Vleugel. En van achter kwam in de striemende regen de Derivaat als een verpletterende moloch aan gevaren.
‘Kapitein het is een zware storm en het ziet er slecht voor ons uit. Deze storm is anders dan alle anderen, die ik gezien heb, u ook?’, sprak de stuurman van de Derivaat. Met onwankelbaar vertrouwen stelde de kapitein hem gerust: ‘Ja dat doet er niet toe; in ieder geval zijn wij door de meest waardevolle papieren verzekerd.’
‘Dit is een geweldige storm kapitein en een echte killer, anders en kouder dan ik ooit heb meegemaakt, u ook?’ sprak de stuurman van de Gouden Vleugel. ‘Dat is omdat dit de perfecte storm is’, zei Goudhart, ‘Laat haar maar komen! Schoor alle ballast vast en laat deze rum rondgaan.’
En zo gebeurde het, dat in de storm der stormen en de moeilijkst passeerbare straat, de schepen nek aan nek de Hoorn rondden, om iets verderop hun noodlot te ontmoeten. Want ineens in plaats van open water was daar een ijzige wal die hoog optorende met door de storm gevormde kantelen die de wolkenhemel raakten.
Op de Derivaat loeiden de sirenen toen haar uitkijk luid uitriep:
SCHULDBERG, RECHT VOORUIT!
Op de Derivaat sprak een bezorgde passagier: ‘Dat klinkt verontrustend, deze schuldberg.’
‘In tegendeel’, sprak de ober, ‘er is geen reden tot ongerustheid. Dat gebeurt zo vaak, het hoort erbij. Wilt u een kop warme koffie?’
Want inderdaad had de Derivaat in haar logge majesteitelijkheid altijd de zeeën bevaren in een soort van afstandelijke suprematie. Met rondom haar ondoordringbare romp, kleine bergjes die snel wegdreven in haar boeggolf, terwijl de grotere met een geweldige klap uiteen gereten werden. Het was traditie geworden om er altijd een souvenir van achter te houden. Om ze op een drankje te laten drijven of soms zelfs op bier. Bij mooi weer was het altijd een vermakelijk en prachtig gezicht, maar bij deze dreigende weersomstandigheden keek niemand er naar om.
Op de Gouden Vleugel sprak een ongerust bemanningslid: ‘Dit kon wel eens einde zijn, die schuldberg. Voor de Derivaat zijn we als een bergje en de stroming blijft ons daarheen drijven. We kunnen de berg misschien nog wel vermijden, maar die kolos niet.’
Kapitein Goudhart overwoog wat te doen en schudde zijn hoofd en sprak: ‘Het ziet er dus naar uit dat we hen beiden moeten vermijden. De wind staat in een hoek van 79 graden op de stroming.’ En hij zette een koers uit die door allen gezien kon worden.
Er ontstond rumoer in de trant van ‘Dat is gekkenwerk!’, ‘Dat is je reinste zelfmoord!’
‘IK ben de kapitein en IK beslis wat hier gebeurt!’, bulderde Goudhart en zijn ogen spogen vuur.
Jullie hoeven me nooit meer te vertrouwen, maar doe het deze keer nog wel.
‘We hebben met zijn allen heel wat moeten doorstaan. Maar dit is wel het meest verraderlijke, dat we ooit hebben meegemaakt. Maar dat betekent nog niet dat we ook nu niet kunnen winnen. Doe wat ik jullie zeg en sjor je vast, hijs het spinaker en wacht maar af. En maak jezelf klaar voor een spannende tocht.’
In het wegebbende licht en striemende regen werden zijn orders opgevolgd. En terwijl Gouden Vleugel’s bemanning en haar kapitein in stilte een gebed opzeiden. Natte lijnen braken met het geluid van een gebroken pees terwijl ze door knokige handen gleden. Geluk zorgde ervoor dat het overbelaste canvas nog net niet scheurde.
Als een gouden steen uit een legendarische reuzen slinger, schoot de Gouden Vleugel naar voren dwars over de golven en werd in het steeds kleiner wordende gat gekatapulteerd. Tussen de heerszuchtige Derivaat en de opdringerige Schuld door.
In de schemering, in de hevige storm en het zwakke licht, onder luid gekraak en bulderend lawaai spatten de dromen en hoop van menigeen, van vermeende en echte rijkdom, uiteen op het ijs, dat zich niet wilde overgeven.
Boven het gehuil van de wind, en tegen de doorweekte en trillende bemanning riep Goudhart: ‘We zijn erlangs, we hebben het doorstaan!’ Het zeil werd snel gereefd en alles opnieuw goed vastgesjord. Niemand zei een woord totdat Goudhart tenslotte sprak: ‘Hoewel het daarnet schier onmogelijk leek wat we deden, zou ik jullie nooit hebben laten doorstaan waarvan voor mij de uitkomst niet duidelijk was. Het is een 49 voet schip met een uiterst kundige bemanning. Het was een zware en moeilijke test en ik ben machtig trots op jullie.’
Maar boven het geluid van de huilende wind klonk er een verschrikkelijk lawaai. Ergens daar terug ging de Derivaat ten onder en er was niets dat degenen op de Gouden Vleugel nog konden doen, behalve stilliggen voor de nacht in de striemende regen en wachten tot de storm voorbijtrok.
Na een wacht uitgezet te hebben gingen ze slapen. Op hun kleine gouden boot op de hoge deining van de zee. De hevige storm viel weg gedurende de nacht en in het zwakke ochtendlicht begon hun zoektocht naar overlevenden.
We hebben slechts ruimte voor een paar overlevenden, maar ook niet meer dan dat, dacht Goudhart, terwijl hij met afschuw naar de overblijfselen van de ramp keek. Ik zou willen dat ik ze allemaal had kunnen redden met mijn geliefde Gouden Vleugel, maar dat was ons niet gegeven.
Geen vlag, geen vuurpijl of rook was er te zien, te midden van een eindloze hoeveelheid van wrakhout. In hun onmiddellijke nabijheid kapseisde de enorme berg en nam gedachteloos de littekens van de dodelijke ontmoeting met zich mee.
“Ik zie geen reddingsboten en dat is het ergste. Hoe konden ze dan ook zo..”, en hij vloekte.
Maar hij wist waar de werkelijke oorzaak van dit tragische gebeuren lag: in geloof en niet in kennis, waarop de doden vertrouwd hadden. Van de duizenden die ten onder gegaan waren met de Derivaat konden slechts twee dozijn gered worden. Koud, uitgeput en nauwelijks in leven werden ze met reddingsboeien, vastgemaakt aan stevige lijnen in veiligheid gebracht. Een of twee per keer.
De volgende dagen klaarde het weer gaandeweg op en zij voeren naar huis, dat nog steeds heel ver weg lag. En zij die gered waren, kwamen weer op krachten en spraken lang onder elkaar.
Bij de discussie over de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, kwamen zij tot de ontdekking dat elk van hen, tot hun grote verbazing, ergens in een zak verstopt, als geluksmuntje op hun fatale tocht toch een gouden munt hadden meegenomen.
Daarvan besloten ze deze uit dankbaarheid aan Goudhart te geven vanwege zijn onbaatzuchtige hulp en die van zijn bemanning. Maar hij zei: ‘Denk niet dat we zulk een gebaar niet op prijs stellen. Maar op een dag kan je ze weer nodig hebben want het is een onzekere wereld. Omdat je dat goud had, heb je geluk gehad. Dat je het ergste van de ramp die over ons kwam kon vermijden. Hou het, bewaar het goed, en denk eraan hoe dit bewees de waarheid te zijn, toen alle andere zaken, waarvan je dacht dat ze waardevol waren, waardeloos werden.’
In de weken die voor hen lagen bekwaamden zij zich in het zeilen. Het leven zo dicht op de zee was ongewoon voor hen, maar gaf wel bevrediging. ‘Op dit schip, of je dat nu leuk vindt of niet, ben je deel van de bemanning’, grinnikte Goudhart, ‘Maar voordat we thuis zijn zullen jullie tot volwaardige bemanningsleden uitgegroeid zijn.’
Het leek wel eeuwen te duren voordat ze weer terug kwamen in de haven, waar vanuit ze vertrokken waren. Ze werden verwelkomd met vuurwerk, feesten en gelach. Slechts ten dele getemperd door de verhalen over de verschrikkelijke ramp met de Derivaat.
Iedereen wilde alles in geuren en kleuren horen en lieten hen niet met rust. Totdat ze alles verteld hadden over hoe ze de gruwelijke reis hadden overleefd. En tenslotte na enige dagen, toen alle commotie weggeëbd was ging kapitein Goudhart aan boord van de Gouden Vleugel en keek nog eens om zich heen.
‘Wel, wat is nu uiteindelijk de schade, of mag ik dat niet vragen?’, informeerde Goudhart bij een bemanningslid die net een fles ontkurkte. ‘Zij heeft alles goed doorstaan, Kapitein, in aanmerking genomen wat we van haar verlangd hebben. Hier en daar een lichte beschadiging of een beetje gesleten, maar nog steeds een waardevol bezit voor haar eigenaar. Wat blutsen hier en daar, en ook kan zij een beetje verf gebruiken. Ook zijn we de bal uit de mast verloren.’
‘Dat verbaast me niet,’ zei Goudhart toen hij een slok nam en lachte, “Het was haar laatste en was maar gemaakt van brons en niet van goud.’
