Allereerst wordt door vele de goudreserves van een land uitgedrukt in percentages van de totale reserves van een centrale bank. Vanuit deze hoek bekeken bestaat één procent van de Chinese reserves uit goud. De reserves van Amerika daarentegen bestaan maar liefst voor 70 procent uit goud. Maar dit cijfer zet je al snel op het verkeerde been. Zo beschikt China over een gigantische berg dollars dankzij haar export naar Amerika en het grootschalig opkopen van Amerikaans staatspapier uit het verleden. Maar waarom zou de Amerikaanse centrale bank ook over een gigantische dollarreserve moeten beschikken als ze deze op ieder moment zelf kan drukken? Niet nodig! En om die reden valt het percentage van goud in Amerika veel hoger uit ten opzichte van haar totale reserves.
Beter drukt men de goudreserve van een land uit ten opzichte van het Bruto Binnenlands Product, een optelsom van alle goederen en diensten dat een land in een jaar produceert. Dan kom je ineens op hele andere getallen uit. Op dit moment, met de huidige marktprijzen bezit Amerika een goudreserve van 2,7 procent ten opzichte van het BBP. Voor Rusland idem dito, een goudreserve van 2,7 procent ten opzichte van de grootte van de Russische economie. Europa beschikt over een goudvoorraad van maar liefst 4 procent. Maar het grote China, dat een enorme groei doormaakt en onlangs Japan is gepasseerd in de ranglijst van grootste economieën, bezit volgens de ‘officiële cijfers’ een reserve waarvan slechts 0,7 procent bestaande uit goud. Maar indien men voor China uitgaat van een ‘onofficiële’ (maar wel realistischere) goudvoorraad van 4.000 ton, dan staan het land in de ranglijst nu naast Rusland en Amerika. Maar dat is voor China nog niet genoeg gezien de enorme potentie en groeistuipen.

