Geplunderde winkels en beschadigde bedrijfsgevels vormen het troosteloze decor waarmee Milton Madriz Cedeño Europa de maat neemt. De Costa Ricaanse politicoloog beschrijft protestgeweld in onder meer Frankrijk, Italië en Spanje als onderdeel van een bredere vertrouwensbreuk: overheden innen belastingen, maar leveren volgens hem onvoldoende veiligheid, kansen en bestuurlijke daadkracht. In zijn opiniestuk, oorspronkelijk verschenen in DiarioDigitalRD, klinkt Europa als een erfgenaam die het familiehuis verwarmt door de meubels op te stoken. Zijn centrale aanklacht is politiek, geen vastgestelde einduitkomst: Europese leiders zouden het beheren van bestaande rijkdom hebben verward met het scheppen van nieuwe welvaart.

AI-illustratie

Onder dat donkere oordeel legt hij een stapel begrotingscijfers die weinig feestverlichting verdraagt. Volgens de aangehaalde Eurostat-gegevens bedroeg de staatsschuld in het tweede kwartaal van 2026 in Italië 139,9 procent van het bbp en in Frankrijk 119,1 procent. België en Spanje zaten eveneens boven 100 procent, al was de Spaanse schuldquote op jaarbasis gedaald. Frankrijk gaf volgens het stuk in 2025 57,3 procent van zijn bbp uit en boekte een tekort van 5,1 procent. Hoge schulden leggen beslag op toekomstige middelen; hun houdbaarheid hangt af van groei, rente en begrotingsdiscipline. Cedeño verwijt zowel links als centrumrechts uitstelgedrag. De rekening, zo luidt zijn bittere redenering, wisselt wel van politieke envelop, maar verdwijnt niet.

Ook in de economische machtsstrijd met de Verenigde Staten ziet hij Europese hoop achter beslagen glas. Het aangehaalde concurrentierapport van de Europese Commissie plaatst de koopkrachtgecorrigeerde productiviteit per gewerkt uur in 2024 op 78,5 procent van het Amerikaanse niveau. Durfkapitaal vertegenwoordigde slechts 0,06 procent van het Europese bbp, een tiende van het Amerikaanse aandeel. Een onderzoek met gegevens tot medio 2021 telde bovendien veertig buitenlandse hoofdkantoorverhuizingen onder 147 oorspronkelijk Europese bedrijven met een waardering van minstens een miljard dollar; 32 gingen naar de VS. Dat betekent niet dat hun Europese activiteiten verdwenen. Het wijst volgens de auteur wel op moeite om groeibedrijven vast te houden. Daarboven hangt de energierekening: volgens het aangehaalde IEA kostte stroom voor energie-intensieve EU-industrieën in 2025 ruim tweemaal zoveel als in de VS.

De vergrijzing schuift intussen als een lange schaduw over de verzorgingsstaat. Volgens de genoemde cijfers was begin 2025 22 procent van de EU-bevolking minstens 65 jaar; het vruchtbaarheidscijfer bedroeg in 2024 1,34 kind per vrouw. Langer leven blijft een verworvenheid, maar pensioenen vragen productiviteit, werkgelegenheid en vooruitzien. Migratie heeft de natuurlijke bevolkingskrimp gecompenseerd, schrijft Cedeño, maar meer inwoners betekenen niet automatisch meer werkende belastingbetalers. Zijn pleidooi draait om taal, formeel werk en rechtsbescherming. De sombere kern: bestuurlijke beloften bieden weinig beschutting wanneer economische zelfstandigheid en maatschappelijke samenhang achterblijven.

Tegenover dit Europese schemerbeeld zet Cedeño een mogelijke verschuiving van het westerse zwaartepunt naar Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Hij wijst op Braziliaanse vliegtuigbouw, Argentijnse nucleaire technologie en Costa Ricaanse medische hulpmiddelen, naast kansen voor Latijns-Amerikaanse mineralenverwerking. Dat is een ambitie, geen aangekondigde machtsoverdracht. Rechtszekerheid, onderwijs, infrastructuur en financiering blijven voorwaarden. Zelfs in zijn hoopvolste passage blijft de regen vallen: Europa’s eventuele verzwakking maakt andere landen niet vanzelf rijk, en dezelfde bestuurlijke fouten kunnen ook daar de toekomst verhypothekeren.