Na de val van het Romeinse Rijk woonden de Friezen nog steeds in het noorden van Nederland. In het zuiden deden de Franken hun opmars. De Friezen kende al sinds de Romeinse overheersing in Europa hun eigen muntslag. Men heeft lange tijd gedacht dat valuta na de val van Rome nergens in Europa meer gebruikt werd. Ook dacht men dat er pas later in middeleeuwen penningen werden geslagen die in net Noordwesten van Europa uitgegeven werden. Dit is echter niet het geval. Zowel de Friezen als de Franken hadden hun munteenheid in stand gehouden ondanks de val van Rome, de grote volksverhuizing  en de handel die daarmee verloren ging. Nederland echter, deed nog flink handel met Engeland en Scandinavië. De Friezen betaalde met imitaties van gouden Tremissis, een munt oorspronkelijk van Britse afkomst.


Afbeelding 1.1 - Imitaties van gouden Tremissis

Gevolgen vervolg van geïmiteerde munten

De munt kende vele imitaties en vermindere snel in waarde en hoeveelheid goud en al snel werd deze munt vervangen door de zilveren Scaetta. Deze munten hadden een simpele opdruk voorzien van afbeeldingen en runen. Opvallend is de zeer grote hoeveelheid verschillen in de opdrukken en tekens op de munten. Aangezien er tot op de dag van vandaag geen minten zijn gevonden in Friesland die deze munten sloegen, is het onduidelijk om precies na te gaan waar welke munten vervaardigd zijn. Gezien de onnaukeurigheid van de vorm en de simpele opdruk is dit is nog met de hand gedaan en gezien de grote variate van types is dit waarschijnlijk door vele verschillende mensen geïmiteerd.

In de 7de en de 8ste eeuw waren het de Franken die vanuit het zuiden Nederlands grondgebied geleidelijk in begonnen te nemen ten koste van de Friezen. Ze brachten hiermee het Christendom naar Nederland en bouwde de eerste Christelijke kerk in Utrecht. Ook begon men hier Frankische munten te slaan. Door Frieze opstanden stopte men tijdelijk om later bij terugwinst van grondgebied weer verder te gaan met de munstlag. Het was Karel de Grote die de Friezen volledig wist te overwinnen en geheel Nederland te bezetten. Hij voerde verschillende valuta in. Naast het Karelsche Pond voerde hij gouden Solidi en zilveren Penningen in. Ook voerde hij de wat meer bekende Franse Écu in die in Nederland de naam Schild kreeg, en de gouden en zilveren Karolusgulden. De Karolusgulden had een waarde van 20 Stuivers, net als de normale Gulden, die pas later uitgegeven werd. Al deze munten hadden zowel een keizerlijke of religieuze leider als opdruk met een kleine tekst erbij. Ook deze munten werden op hun beurt ook weer in grote getalen gekopieerd.

In de 12de eeuw kwam het Frankische Rijk ten einde. Men werd niet meer voldoende beschermd door aanvallen van de Vikingen uit het noorden en vanuit het oosten was er al een klein deel van Nederland ingenomen door de Saksen en hadden daar hun invloed gehad op de muntslag door middel van afbeeldingen van Saksische leiders.

Inmiddels was de hoeveelheid muntslag flink toegenomen en door vele kopieën waren de waardes van de solidi en de penningen flink gedaald. De macht in Nederland werd langzamerhand verdeeld over steden en burchten door landheren en hertogen. Ondanks het feit dat alleen in Leeuwarden wettelijk muntslag mocht plaatsvinden waren vele steden begonnen met hun eigen munstlag.

Centralisering van de Nederlandse munt

Nadat vooral de rest van Europa het zwaar te verduren kreeg in de 14de eeuw met onder andere de Grote hongersnood, de Zwarte Dood en de 100 jarige oorlog, ging het de Nederlanders erg goed af op economisch gebied. Er was sprake van flinke expansie, ondanks enkele burgeroorlogen van de stedelijke machten onderling. Deze burgeroorlogen, maar ook een tal van huwelijken van adel leidde ertoe dat Nederland zich beter wist te centraliseren als één natie. Deze ‘huwelijkspolitiek’ zorgde ervoor dat het Rijk der Nederlanden zich wist te strekken van Groningen tot Bourgondië. Een voorbeeld van een stadsmunt is de Groningse Kromstaart. Deze munt werd vanaf halverwege de 14de tot het einde van de 17de eeuw geslagen en had een waarde van 32 toenmalige Penningen. Ook werd er in Vlaanderen een kromstaart geslagen begin 15de eeuw, dit was echter voor een korte periode.

Willem van Beieren, graaf van Holland en Zeeland, voerde halverwege de 14de eeuw voor het eerst de Hollandse Gulden in. De Gulden, ofwel de Gouden Florijn, is oorspronkelijk vernoemd naar de Florentijnse munt Fiorino D’oro. Dit verklaart ook het teken van de Gulden, FL.


Afbeelding 1.2: De eerste Hollandse Gulden

Het was niet ongewoon dat grote Europese landen hun valuta over de grenzen van hun rijk als betalingsverkeer geacepteerd werden. Naast de Franse Écu was de Britse Nobel ook in Nederland gangbaar van de 14de tot de 17de eeuw. Deze gouden munt werd zelfs ondermeer in Nederland geslagen. Hij had een waarde van 50 Stuivers.

De 15de en de 16de eeuw verlopen vervolgens erg rumoerig. Nederland, ondertussen gevormd tot één staat, word geërfd door de Spaanse koning Filip II en komt onder schrikbewind te staan. Nederland kwam in opstand en onder leiding van Willem van Oranje begon men de tachtigjarige oorlog. In 1648 waren beiden het oorlogvoeren zat en de 7 noordelijke provincies werden door Spanje officieel erkend als de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Zuiderlijke Nederlanden bleven in Spaans bezit. De Spaanse Reaal rouleerde toen ook in Nederland. Een bijzondere versie hiervan is de 8 Reaal, ofwel in het Nederlands, de Spaanse Mat. Deze zilveren munt was bedrukt met grofweg een dozijn wapens van streken waar deze werd uitgegeven. Deze wapens waren in elkaar gevlochten als eensoort van gewoven mat, waardoor dus zijn naam onstond.

Een andere veelgebruikte munt uit deze tijd is de Groot, een munt ter waarde van een halve stuiver en ook de Dubbelgroot met een waarde van een hele stuiver. Deze munt kwam, net als de Gulden, oorspronkelijk uit Italië en werd behalve in Nederland ook in andere landen in noordwest Europa gebruikt. In 1496 word de laatste Groot geslagen en vervangen door de Brabantse stuiver.

Daarnaast kende men halverwege de 16de eeuw ook de Flabbe, een munt van zilver en koper ter waarde van 4 Stuivers. Deze munt werd geslagen in Groningen en Deventer.

Zowel in Brabant als in Vlaanderen kende men de Mijt. Ze hadden wel een verschillende waarde, de Vlaamse Mijt had een ratio van 2 op 3 tegenover de Brabantse. In een Stuiver gingen 72 Brabantse en 48 Vlaamse Mijten. Ook kende men hier de Korte, ter waarde van 3 Brabantse en 2 Vlaamse Mijten.

In Overijssel was er sprake van enige Duitse invloed. Zo werd er in de steden Deventer, Zwolle en Kampen de Gosseler geslagen. De naam was afgeleid van de Duitse stad Goslar, waar de toendertijd zeer populaire Mariengroschen werden geslagen. Een Gosseler had een waarde nét boven die van een halve Stuiver. Naast enkele werden er ook dubbele, 5 en 10 Gosselers geslagen. De munt was voorzien van de drie stadswapens van de eerder genoemde steden met de letter waar van de stad waar de munt was geslagen. Op de achterkant stond een afbeelding van een adelaar op een bloemenkruis.

Nog een munt uit deze tijd is de Braspenning. Dit was een grote zilveren munt met een waarde van 2,5 Groot (eerst nog 2 Groot), of een kwart Stuiver. Het betalen van belasting op een vat bier noemde men toendertijd brassen. Men vermoed dat deze munt hierdoor zijn naam heeft verkregen. Spreekwoordelijk ‘voor een Stuiver verdienen maar voor een Braspenning dorst hebben’ betekent dan natuurlijk dat je boven je stand leeft. Vermoedelijk is hierdoor de uitdrukking ‘brassen’ onstaan wat overmatig eten en drinken inhoud.

Einde deel 2

Bronnen:
www.nederlandsemunten.nl
www.landenweb.nl
www.kunst-en-cultuur.infonu.nl
www.numismatischekringfrisia.nl
www.wikipedia.org ea.