Een paar van de zaken die je vaak hoort rond goud is dat de goudhoeveelheid jaarlijks met ca. 1-2% toeneemt als gevolg van de mijnbouw productie. Verder dat goud nauwelijks wordt gebruikt als grondstof. Ook dat het meeste goud dat ooit gedolven is (de US Geological Survey schat 85%) vandaag de dag nog in de vorm van baren, munten en sieraden bestaat. En zelfs het kleine beetje dat in de industrie gebruikt is, nog vaak herwonnen wordt.

Met betrekking tot de monetaire rol van goud hoor je dan dat de gouden standaard kon functioneren omdat de ‘geldhoeveelheid’ toenam met een redelijk vast percentage, in lijn met de productie uit die mijnbouw. Met andere woorden, de toename van de groei van de goudhoeveelheid is min of meer stabiel en gerelateerd aan de groei van de geldhoeveelheid. Dit werd dan gemakshalve uitgelegd als dat er een vaste relatie tussen goud en de ‘geldhoeveelheid in omloop’ zou zijn.

Hier wordt de plank echter volledig misgeslagen. Als je naar willekeurig welk historisch gouden standaard systeem kijkt, zul je zien dat de ‘geldhoeveelheid in omloop’ juist heel variabel kan zijn en zeker niet deze regel van ‘ca. 1-2% per jaar’ volgt.

Als voorbeeld: in 1900 nam in de US de geldhoeveelheid toe tot een geschatte $ 1.344 miljoen van $ 1.126 in 1899. Een jaar eerder dus en dat is een toename van ca. 19%.

In 1896 daarentegen nam deze US geldhoeveelheid af tot $ 944 miljoen van $ 1.022 miljoen in 1895, een afname van ca. 8%.

Er hoeft dus helemaal geen stabiliteit rond de ‘geldhoeveelheid in omloop’ te zijn onder een gouden standaard systeem. Het past zich automatisch aan, aan de waarde ingegeven door de economische omstandigheden van die tijd. Dit is al eerder besproken in een artikel getiteld: ‘De meest simpele gouden standaard’.

De enige stabiliteit die goud kan bieden is een onderliggende waarde aan de uit te geven munteenheid, m.a.w. een vaste omwisselkoers. Het Britse pond hield in het verleden een vaste waarde aan t.o.v. goud. En het pond kon die stabiele waarde behouden, juist omdat er zoveel goud als dekking aanwezig was en deze hoeveelheid stabiel bleef.

John Stuart Mill zei over dit onderwerp al in de 19e eeuw:“
Over het geheel genomen bestaan er zo goed als geen grondstoffen die zo weinig zijn blootgesteld aan prijsschommelingen als goud en zilver. Zij fluctueren minder dan alle andere grondstoffen in kosten van hun productie. En gezien vanuit hun duurzaamheid zal de totaal beschikbare hoeveelheid eigenlijk altijd zoveel groter zijn dan hun jaarlijkse aanvoer, dat zelfs het effect van een verandering in waarde uit het oogpunt van productiekosten niet snel zal gebeuren; en er een heel lange tijd overheen zal gaan om de beschikbare hoeveelheid of waarde aanzienlijk te laten verminderen of vermeerderen. Daarom zijn goud en zilver grondstoffen bij uitstek geschikt, meer nog dan enige andere grondstof ook om betalingen te verrichten in de vorm van een bepaalde hoeveelheid over langere periodes van tijd.”

Belangrijk aan John Stuart Mill’s observatie is dat de totaal beschikbare hoeveelheid van goud en zilver zoveel groter moet zijn dan de jaarlijkse aanvoer om een monetaire rol te kunnen vervullen. Daaraan wordt dan de monetaire geldwaarde ontleend. Er is dus een stock-to-flow ratio voor goud van 155.500 ton : 2586 ton ofwel ca. 60:1. Blijkbaar is dat dus de ratio die nodig is om een rol als geld te kunnen spelen. Voor zilver ligt deze ratio op ca. 10:1. De verklaring hiervoor is dat zilver meer echt als grondstof gebruikt wordt.

Laten we eens kijken naar meer recente ontwikkelingen. Hoe verschillend is goud van bijv. koper?

Bijna alle goud dat ooit gedolven is bestaat nog in de vorm van bullion en sieraden. Bij koper is dit een totaal ander verhaal. Bijna alle koper wat gedolven is, wordt onmiddellijk verwerkt in een of andere praktische toepassing. Heel weinig wordt in voorraad gehouden voor de langere termijn.

In 2010 werd de wereldproductie van koper geschat op 16.2 miljoen ton. De wereldvoorraad daarentegen op alle grote beurzen bij elkaar bedroeg zo’n 645.000 ton. Dus de fysieke voorraad was slechts een 4% van de wereldproductie. De industriële behoefte aan koper lag ook zo rond de 16.2 miljoen ton. De stock-to-flow ratio ligt hier dan ook op 0.04.

Wat nu, als er om een of andere reden opeens geen koper meer gedolven zou worden? Het is duidelijk dat er dan alleen maar een voorraad van 645.000 ton voorhanden is. Dat zou echt heel grote problemen veroorzaken.

Laten we dit nu eens vergelijken met goud. In 2010 werd de wereldproductie geschat op 83 miljoen troy ounces. De totale goudvoorraad in de wereld werd geschat op zo’n 5 miljard ounces. Dus de productie lag op ca. 1.7% van de totale wereldvoorraad goud.

Wat nu als er opeens geen goud meer gedolven werd? Dat zou betekenen dat we nog steeds die ca. 5 miljard ounces hebben in plaats van 5.083 miljard ounces. En dat maakt echt niet zoveel uit. Dat is een van de redenen waarom goud zijn waarde behoudt en het zeer geschikt maakt om als monetaire benchmark te fungeren.

Volgens de World Gold Council is er in 2010 ongeveer 2.586 ton goud geproduceerd en zou er door de industrie ongeveer 466 ton verbruikt zijn. Wat er over blijft gaat naar baren, munten en sieraden.

Een nadere beschouwing zegt: 466 ton naar de industrie, 2.586 ton geproduceerd en 155.500 ton in voorraad. De industriële behoefte is hier slechts ca. 0.3% van de totaal beschikbare hoeveelheid.

En die industriële behoefte wordt grotendeels gedekt door recycling. De WGC zegt dat er 1.645 ton aan recyclebaar goud in 2010 voorhanden was. Dit houdt dan wel in recycling in de industrie en sieraden recycling samen. In ieder geval laat het zien dat recycled goud ook een grote bron voor bullion is.

In het Westen zijn we eraan gewend dat gouden sieraden veel duurder zijn dan de waarde van het goud dat het bevat. Misschien is het wel daarom dat wij zo weinig gouden sieraden hebben. Dit is een groot verschil met de rest van de wereld. De meeste gouden sieraden bevinden zich in Azië en India. In Azië zijn de kosten voor sieraden slechts een fractie hoger dan de waarde van het goud wat het vertegenwoordigt. Gemiddeld slechts zo’n 2%. Met andere woorden er is slechts een 2% maakloon om het goud om te zetten in een gouden sieraad.

En dat is ongeveer hetzelfde percentage ‘maakloon’ dat wij kennen voor bullion munten, zoals Krugerrands en American Eagles. Het grootste deel van de sieraden in Azië dient hetzelfde doel als deze Krugerrands en American Eagles bij ons. In principe is het een vorm van opslag van monetaire waarde. Met het voordeel dat je het ook nog kunt dragen. Misschien zijn die Aziaten zo gek nog niet.

Goud is al duizenden jaren hetzelfde als geld, omdat zijn waarde stabiel is. De vraag en aanbod kwestie, zoals bij andere delfstoffen gaat voor goud dan ook niet op.

Bron: Nathan Lewis