Het College bepaalde dat toezichthouder De Nederlandsche Bank geen 4,8 miljoen euro schadevergoeding hoeft te betalen aan het Pensioenfonds Vereenigde Glasfabrieken (PVG) voor misgelopen rendement door verplichte verkoop van haar beleggingen in goud. De rechtbank Rotterdam oordeelde eerder nog dat DNB het pensioenfonds 4,8 miljoen euro schadevergoeding moest betalen vanwege een foutieve aanwijzing.

Volgens het CBb heeft het fonds niet aannemelijk kunnen maken dat het daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het handelen van DNB. In hoger beroep werd het besluit tot schadevergoeding teruggedraaid. Lutjens, die het PVG in deze zaak vertegenwoordigde:

“Het CBb volgt de redenatie dat de goudprijs op de voorgenomen verkoopmomenten lager lag dan ten tijde van de gedwongen verkoop. Langs die redenatie is er geen schade, terwijl de schade daadwerkelijk is ontstaan op het moment van de aanwijzing van DNB. Inmiddels is de waarde namelijk wel weer op het oude hoge niveau”