Een simpel voorbeeld: We nemen een geldhoeveelheid van € 100 waar voor € 100 voedsel en goederen tegenover staan. Elke eenheid kost €1. Plots beslist de centrale bank om een extra € 100 in het systeem te gooien zodat de bevolking meer voedsel en goederen kan kopen, het wil zo de welvaart verhogen. Meer goederen en duurder voedsel kunnen kopen geeft iemand een groter gevoel van welvaart. Er is nu € 200 geldhoeveelheid tegenover € 100 goederen en voedsel. Al snel zal elke eenheid € 2 kosten waardoor de welvaart gelijk gebleven is, maar er € 100 schulden zijn bijgekomen.